Voor kippen en sierhoenders, sierwatervogels, konijnen en knaagdieren, kleine herkauwers en paarden.
Pluimvee en sierhoenders
- Plaats een apart bakje Teurlings maagkiezel en oester schelpengrit in het hok.De maagkiezel is bestemd om het voeder in de maag te vermalen en het grit voor de mineralenvoorziening (kalk).
- Naast het volledig voeder max. 10% gemengd graan geven, liefst tegen de avond strooien.
- Groenvoeder in kleine hoeveelheden vers verstrekken.
- In plaats van zand kan ook kattenbakstrooisel in het hok worden gestrooid. Dit strooisel heeft een sterk vochtbindend vermogen waardoor coccidiosis en wormbesmettingen tegengehouden kunnen worden.
- Geef steeds voldoende fris drinkwater.
- Zorg ervoor dat tijdens het broedseizoen de broedeieren niet teveel afkoelen waardoor de bevruchting sterk kan teruglopen.
- Tijdens koud en vriezend weer de eieren meerdere malen per dag rapen. Broedeieren bij een temperatuur van 10 à 15 graden Celsius bewaren.
Sierwatervogels
- In bepaalde tijden van het jaar kan ook Teurlings eendengraan worden bijgevoerd. De hoeveelheid is weer afhankelijk van de soort (max. 1/3 van het rantsoen).
- Voederoverschakelingen geleidelijk laten plaatsvinden door eerst enkele dagen de voedersoorten te mengen.
- Denk er om dat in de herfst en winter de basis gelegd wordt voor het broedseizoen in de lente.
- Alleen dieren die in deze perioden goed gevoerd zijn, kunnen hoogwaardige broedeieren produceren.
- Ook aan eenden, grit en maagkiezel ter beschikking stellen.
- Vers en schoon drinkwater is belangrijk, sierwatervogels gebruiken (vermorsen) daar veel van.
- Eendengraan kan ook in bakjes onder water gevoerd worden, ca. 10 cm diep.
Konijnen en knaagdieren
- Geef voldoende fris water, liefst uit een flesje of drinknippel.
- Bij veranderingen, zoals tentoonstellingen en verhuizen, matig voeren om darmstoornissen te voorkomen.
- Op regelmatige tijden voeren, b.v. 's morgens en 's avonds.
- Pas op voor bedorven of broeierig voer, dit kan aanleiding geven tot diarree.
Kleine herkauwers
- Zorg steeds voor voldoende schoon fris drinkwater.
- De opgegeven voederhoeveelheden zijn bij benadering gegeven en zijn sterk afhankelijk van de weersomstandigheden en de konditie van de dieren.
- Buitenlopende dieren bij vorst en sneeuw extra ruw- en krachtvoeder verstrekken.
- Aan Teurlings-schapenbrok word geen koper toegevoegd.
- Geef aan schapen likstenen voor schapen. En aan geiten, herten en reeen rundveelikstenen.
- I.v.m. de koper behoefte, aan geiten geitenkorrels voeren en geen schapenkorrels.
Paarden
Paarden zijn gevoelig voor koliek.De voeding en de voedermethoden kunnen veel bijdragen ter voorkoming van koliek, daarom:
- Verstrek fris en niet te koud drinkwater.
- Het krachtvoer in minimaal 3 voederbeurten per dag verstrekken.
- Geef fris en goed hooi. Paarden zijn zeer gevoelig voor beschimmeld en stoffig hooi.
- Geen bevroren voedsel verstrekken.
- Na de maaltijd een uur rust geven. De paarden kunnen niet werken met een volle maag.
- Ontworm de paarden regelmatig met een goed ontwormings middel. Wissel regelmatig van werkzame stof om resistentie van de wormen tegen het gebruikte middel te voorkomen.
- Laat regelmatig de paardenmest op aanwezigheid van wormeieren controleren.
- Als er vanuit een silo gevoerd word, maak dan regelmatig de voedersilo schoon. Ook in de silo kan namelijk op den duur schimmel ontstaan.